Skjolden
 

.
.. ................... NOORSE . LANDSCHAPPEN


Noorse landschappen behoren tot de indrukwekkendste van Europa:

.
Fjorden en dalen zijn er diep en smal ; ze dringen ver door in

.
berggebieden met hun scherpe toppen en graten, gletsjers en spectaculaire watervallen.

. Hoogvlakten zijn uitgestrekt en hebben talrijke glinsterende meren; ze gaan langzaam over in

. laaglanden met golvende bos- en landbouwgebieden en

.
scherenkusten
met ontelbare eilandjes.

 

.

 

1. Alpien landschap in Noorwegen:
.
Alpien landschap betekent met pieken en graten tussen karen (cirques) met steile achterwanden.

Piek Graat Cirque afbeelding

Een extreem voorbeeld toont de Galdhøpiggen-wandeling in Jotunheimen. Staande bovenop deze berg zie je rondom je een zee van pieken, graten en kaargletsjers

.
. Blik vanaf de top (2 469 m) van de Galdhøpiggen in het centrale deel van Jotunheimen.
. Dit landschap is typisch alpien, met kaargletsjers die actief de karen uitdiepen, waarbij ze pieken (spitse bergtoppen) en graten (scherpe bergkammen) maken.
. The cirque glaciers (= kaargletsjers ) are actively carving (uitdiepen) the cirques (= karen) , creating
. sharp peaks (= pieken) and edges (= graten). Only cirque glaciers can form this kind of alpine landscape.


Er zijn in Noorwegen vier gróte gebieden met alpien landschap:
twee in het zuiden: Jotunheimen en Møre, en
twee in het noorden: West-Lofoten en Lyngen
(zie onderstaande kaart met reliëfvormen).

Op deze kaart staan in Zuid-Noorwegen ook nog 2 kleine gebiedjes getekend: Dovrefjell (denk aan Snøhetta-wandeling) en Rondane. Zij hebben allebei maar een klein centraal gedeelte dat alpien is. Het betreft slechts een tiental toppen boven de 2000 m. Zij zijn dus van een heel andere grootte dan Jotunheimen, die er meer dan 200 heeft.

...4 grote gebieden met alpien landschap in Noorwegen

Dovrefjell en Rondane hebben maar een klein beetje alpien reliëf en ieder slechts een tiental toppen boven de 2000 m.
Jotunheimen heeft wel veel alpien reliëf met ook meer dan 200 toppen boven de 2000 m.


.



2. Glaciaal landschap:

.
In berggebieden waar gedurende langere tijd in de winter meer sneeuw valt dan er 's zomers smelt, worden gletsjers gevormd.
Sneeuwrijke winters en koele zomers zijn gunstig voor de groei van die gletsjers.
In Noorwegen zijn er ca. 1600 gletsjers, maar ze zijn géén overblijfsel van de laatste ijstijd. Vlak na de laatste ijstijd was het klimaat veel warmer dan tegenwoordig en alle ijsresten smolten weg. De huidige gletsjers ontstonden pas tijdens de klimaatverslechtering tussen 3000 en 500 v. Chr.

 

.


Drie gletsjertypen in Noorwegen:
We kunnen gletsjers o.a. classificeren naar grootte.
Van klein naar groot krijgen we dan in Noorwegen:

1. Kaargletsjers (Botnbreer):
Ze liggen in een laagte die we kaar (botn) noemen.
Kaargletsjers liggen dikwijls aan de lij - en schaduwzijde van een berg. Daar verzamelt de sneeuw zich, en smelt er relatief weinig.
Voorbeeld: de drie kaargletsjers bij mijn Snøhetta-wandeling.

.
. De drie kaargletsjers op de Snøhetta.
. Deze kaargletsjers liggen aan de oostzijde van de berg in de luwte van de westenwind.
. Het lichte gebied is het oppervlak van de gletsjers in 1880. De gearceerde gebieden het huidige oppervlak. De twee grootste kaargletsjers (1 en 2) zijn sinds 1880 al in oppervlak gehalveerd.

. De rode streepjeslijn is de wandelroute van Snøheim (Turisthytte) naar de hoofdtop Stortoppen.
.Een goede kaart van heel Noorwegen vind je op www.norgeskart.no

Kaar .... Corrie/Cwm/Cirque (Engels) ....Botn (Noors)

Corrie = A large, semi-circular hollow (=nis) in the side of
........... a mountain that was eroded by the action of snow
...........and ice.
.......... Corries are found in areas where glaciers once formed.
...........Sometimes they contain lakes or tarns (corrie lochs)
........... In Wales they use the name cwm in stead of corrie.
........... The French name cirque is also used by some people.


STAGE 1:
At the start of the Ice Age, snow collected in a hollow
(nis)
high up in the mountains and was gradually squeezed into ice.

.
As more and more snow built up, it filled the hollow and some
of it was then squeezed out and forced down the
mountainside. This was the starting point of a glacier.

 

STAGE 2:
The hollow
(nis) in which the snow and ice collected was eroded
by the ice to form a much deeper, steeper hollow.
This is a corrie
(kaar).

.

As the meltwater under the ice seeped into cracks, the rock
in the hollow was
weathered by freeze-thaw action (vorstverwering).

Then, when the meltwater froze onto the rock,
plucking
(plukken)
took place.
The back wall, sides and base of the hollow were eroded very
quickly by these two processes.

At the lip
(drempel) of the hollow the ice was less thick and so
did less plucking. But by now, there were fragments in the bottom of the glacier and so the rock lip was
abraded (geschuurd), making it
smoother.

 

STAGE 3:
When the ice finally melted at the end of the Ice Age, a corrie
was sometimes deep enough to be filled with meltwater
and so formed a
tarn (corrie loch)
...... kaarmeertje (Ned.) ...... botnsjø (Noors).
For example: Red Tarn on the eastern flank of Helvellyn.

.


Bovenstaande beschrijving van een kaar komt uit:
www.pietsmulders.nl/engeland_glaci...

 



2. Dalgletsjers (Dalbreer):
Dalgletsjers zijn groter dan kaargletsjers en vullen een dal.
Het zijn soms de uitlopers van kaargletsjers, meestal echter van plateaugletsjers.
De plateaugletsjer Jostedalsbreen zendt bijvoorbeeld tientallen uitlopers (dalgletsjers) naar beneden. Daartoe behoren o.a. de Briksdalsbreen, de Nigardsbreen en de Austerdalsbreen (zie bij mijn Austerdalen-wandeling).
Het woord dalgletsjer gebruik ik verder niet in mijn teksten.
Ik spreek van gletsjertong.

 

3. Plateaugletsjers (Platåbreer) / IJskappen:
Noorwegen heeft een aantal bergplateaus. Als er op die plateaus meer sneeuw valt dan er 's zomers smelt ontstaan er gletsjers. Het overschot aan ijs stroomt van het plateau via de uitlopers omlaag en smelt af in lagere gebieden.
Voorbeeld: de ijskap/plateaugletsjer Hardangerjøkulen. Zie mijn Blåisen-wandeling.


.


Plateaugletsjers / IJskappen en hun gletsjertongen

Bij meerdere wandelingen loop je naar (en met een gids op) een gletsjertong. Dit laatste heet brevandring. Daarom hier een korte introductie over de belangrijkste plateaugletsjers (ijskappen) en hun gletsjertongen.

Bij een plateaugletsjer is er een gemeenschappelijk accumulatiegedeelte, het 'firnplateau', dat op een betrekkelijk vlak hoog gedeelte van het plateau ligt. Haar ijs stroomt als gletsjertongen in verschillende richtingen door dalen weg.

Ice caps or plateau glaciers are a domeshaped ice body covering the underlying surface topography and with radial flow.

Plateaugletsjers zijn typisch voor IJsland en Noorwegen.
In Zuid-Noorwegen zijn er drie grote: (van groot naar klein)
1. Jostedalsbreen (ca. 480 km²)
2. Folgefonna (ca. 200 km²)
3. Hardangerjøkulen (ca. 80 km²)
De namen van zowel de plateaugletsjers als de gletsjertongen eindigen op bre, fonn, is, en jøkull. Deze betekenen allemaal gletsjer.

Naast bovenstaande drie grote plateaugletsjers zijn er in Zuid-Noorwegen nog tientallen kleine gletsjers van 20 of minder km².
De meeste daarvan liggen in Breheimen (in enge zin) en in Jotunheimen.
Met Breheimen (in enge zin) bedoelen we het Breheimen nasjonalpark. Het ligt tussen de Jostedalsbreen en Jotunheimen. Zie kaart hieronder. (Er bestaat ook nog een Breheimen (in ruime zin). In dat geval bedoelen we het Breheimen nasjonalpark samen met de Jostedalsbreen.)



Al deze gletsjers zijn géén overblijfsel uit de laatste ijstijd van ongeveer 10.000 jaar geleden. Ze zijn pas ontstaan tijdens de klimaatverslechtering tussen 3000 en 500 v. Chr.
De grootste uitbreiding hebben de gletsjers rond 1750 bereikt. In de jaren 1700 - 1750 heeft bijv. de Nigardsbreen zich ongeveer 4 km uitgebreid en de ernaar genoemde hoeve Nigard bedolven.
Na deze periode zijn de gletsjertongen begonnen met het slinken (terugwijken; terugsmelten) en dat duurt nog steeds voort.

Opwarming van de aarde:
Wil je ook graag eens een wandeling maken naar of op een gletsjer (brevandring). Nu kan het nog. Men verwacht dat ze in 2100 allemaal verdwenen zijn door de opwarming van de aarde.

Ice sheets (ijsdekken):
They are ice bodies that cover areas of continental size, generally more than 50 000 km2 . Today there are only two ice sheets, the Antarctic Ice Sheet and the Greenland Ice Sheet. The ice thickness can be several thousand metres thick.
There are no ice sheets in Norway today, but during the last ice age, the Scandinavian ice sheet covered Norway.


Plateau glaciers / ice caps (plateaugletsjers; ijskappen):
They can have any size, but cover a smaller area than ice sheets. They are a domeshaped ice body covering the underlying surface topography and with radial flow.
Hardangerjøkulen and Folgefonna are typical Norwegian examples.


Outlet glaciers (gletsjertongen):
They drain an ice cap, often of valley glacier type, but the accumulation area may be difficult to define. The name of the outlet usually refers to the more defined lower part of the glacier.
Briksdalsbreen and Nigardsbreen are well-known outlet glaciers from Jostedalsbreen, the largest ice cap in Norway.


Cirque glaciers (kaargletsjers):
They are located in a cirque, which is created by glacial erosion producing a basin shaped depression in the mountain with steep sides and back wall.

Valley glaciers:
They follow a valley and may originate from plateau glaciers, or from one or more cirque glacier.

 

1. Jostedalsbreen (ca. 480 km²)

Deze plateaugletsjer/ijskap is de grootste van het Europese vasteland, (en na de Vatnajøkull (ca. 8400 km²) op IJsland de tweede grootste van Europa.)
Ze ligt tussen de Sognefjord en de Nordfjord.
Van noord naar zuid is ze ca. 60km lang.
Het hoogste punt óp de gletsjer is de Høgste Breakulen (1957m) en de hoogste berg is de Lodalskåpa (2083m) (zie kaart).

.

Jostedalsbeen
heeft tientallen gletsjertongen. Zeer bekend daarvan zijn:

1. Briksdalsbreen:
This outlet glacier retreated (slonk; week terug) about 800 meters between 1932 and 1951 and in front of it, a small body of water called Briksdalsvatnet appeared.
Interestingly, the water was later covered by glacier movement and then was uncovered yet again in 2008.


2. Nigardsbreen:
On this outlet glacier you can make glacier walks.
The name of the glacier comes from a local farm that was crushed by it in about 1750 when the glacier advanced (oprukte) several kilometers in just 50 years.
It eventually stopped advancing 4.5 kilometers from where it stands today.

Since 2000, the glacier has retreated (geslonken; teruggeweken) quite a bit but still remains one of the most popular glaciers in Norway to visit.


www.youtube.com/watch?v=GJTtz1zzhTk
.
.
. De gletsjertong Nigardsbreen is een van de grotere uitlopers van de plateaugletsjer Jostedalsbreen.


. The Nigardsbreen glacier in 1990.
. In 1930 the front of Ni
gardsbreen glacier lay at the lake outlet (uitloop), and it retreated ( slonk; week terug) rapidly until 1990. Since then it has advanced (opgerukt; vooruitgegaan) slightly.
. All of the lobate moraine ridges between the lake and the houses are marginal moraines
(randmorenewallen) which were deposited during the long period between 1750 and 1930.

. Note the typical U-shaped valley which has formed by the glacier.


. Lengteprofiel van de Nigardsbreen.
. Rond 1720 - 1750 rukte de gletsjertong op. Ze verwoestte daarbij onder andere de boerderij Nigard (vandaar de naam Nigardsbreen)
. Sinds 1750 is de gletsjertong korter geworden (ca. 4 km) en ook dunner.
. Een aantal korte fasen van vooruitgang leverden eindmorenewallen op voor de gletsjer.


3. Bøyabreen:
It is located in Fjærland and is easy to see from the Rv5 when driving.
The reason this glacier made the list is that it is definitive proof of climate change and the glacier arm has retreated (geslonken) so much that is is hardly necessary to measure its length anymore.


4. Austerdalsbreen:
This outlet glacier is fed by the three colossal icefalls: Odinsbreen, Torsbreen and Lokebreen.
The lower, flat part of Austerdalsbreen displays a characteristic fishbone or lobster
(zeekreeft) tail pattern.
Here is one of the most classical glacier hikes in Norway, the crossing of Jostedalsbreen from Tungestølen over the glacier down to Kattenakken and Briksdal. This trip was first completed and documented by William Cecil Slingsby in 1894.

.
. Je kijkt hier noordwestwaarts langs de gletsjertong Austerdalsbreen naar twee ijsvallen in de verte (Noorwegen heeft niet alleen watervallen, maar ook ijsvallen!) Deze foto is genomen vanaf de rotsdrempel een beetje verder dan het gedenkteken van Slingsby. Twee van de drie ijsvallen zijn daar te zien. Ze zijn genoemd naar Noorse goden.


 

2. Folgefonna (ca. 200 km²):

Deze plateaugletsjer/ijskap ligt ten westen van de Hardangervidda (ten westen van Odda). Ze ligt op een schiereiland tussen de Hardangerfjord en de Sørfjord).
Ze bestaat eigenlijk uit drie plateaugletsjers. De zuidelijkste is met ca 150 km² veruit het grootst (de andere twee ten noorden daarvan zijn maar klein). Op de kaart hieronder staat alleen de zuidelijkste (= grootste).
Het hoogste punt op de gletsjer is de Høgste Breakulen (1662 m) (zie kaartje).
De Folgefonna heeft een extreem maritiem klimaat. Er valt meer dan 5000 mm neerslag per jaar).


. Een goede kaart van heel Noorwegen vind je op www.norgeskart.no

Hoogteprofiel van noordwest (Gråfjellsbreen) naar zuidoost (Buarbreen).
Net als in de Hardangervidda is hier een bergplateau (hoogvlakte) met een zwak golvend reliëf. De hoogte daarvan is ongeveer tussen 1200 m en 1400 m.
Het ijs daarop is maximaal 250 m dik.

Enkele van de wandelmogelijkheden:

1. De heen-en-terugwandeling naar de gletsjertongen Øvre-Buarbreen en Nedre-Buarbreen
(totaal 3 uur; 3½ + 3½ = 7km; 590hm; middelzwaar).
Vroeger was Buarbreen één gletsjertong, maar ten gevolge van het slinken van die tong is hij nu verdeelt in Øvre - en Nedre Buarbre.

2. De lijnwandeling, waarbij je de plateaugletsjer in 2 dagen oversteekt (26km, 1500hm, zeer zwaar)
Eerste dag vanaf de parkeerplaats in Sunndal omhoog lopen door het Bondhusdalen. Voorbij het Botnavatnet en de hut Breidablikk naar de hut Fonnnabu.
Tweede dag met een gids de plateaugletsjer oversteken naar de hut Holmaskjer en vervolgens omlaag naar Tokheim.
's Avonds met de bus van Odda terug naar Sunndal.
https://ut.no/turforslag/2.8158

Buarbreen.

 

 

3. Hardangerjøkulen (bijna 80 km²):

Deze plateaugletsjer/ijskap ligt aan de noordrand van de Hardangervidda.
Het is een klassieke plateaugletsjer met een vlak accumulatiegebied dat een plateau bedekt en een aantal outlet glaciers in alle richtingen.
Het hoogste punt van de gletsjer is 1861m.
Ook deze gletsjer wordt dunner; de maximale dikte is 380 m


. Een goede kaart van heel Noorwegen vind je op www.norgeskart.no

.
. De plateaugletsjer Hardangerjøkulen.
. De stippellijnen geven de verschillende uitstroombassins aan.
. De G's zijn de grotere gletsjertongen.

Hardangerjøkulen heeft veel gletsjertongen.
Zeer bekend daarvan zijn
de Midtdalsbreen en de Blåisen.
Ze zijn goed bereikbaar vanaf het Finse stasjon aan de Bergen-Oslo lijn (rechtsboven in de kaart).

. Midtdalsbreen
The flat and even tongue spreads out on its way down in the direction of Finsevatnet.
Midtdalsbreen has advanced (opgerukt; vooruitgegaan) slightly during the latest years. During the ' Little Ice Age' (ca. 1430 - 1750) the ice front (gletsjerfront; uiteinde van de gletsjertong) stood about 1.4 km further out in the valley than today. From Finse it is roughly one and a half hour walking to Midtdalsbreen on a good path. Just before the glacier snout (uiteinde van de gletsjertong; gletsjerfront) lies the small shelter Appelsinhytta ("The Orange hut").

. Blåisen
This outlet of eastern Hardangerjøkulen glides down eastwards from the highest ice dome (1863 m). On a nunatak in its upper part lies the small shelter Jøkulhytta.
(Nunatak is a word of Greenlandic origin, meaning mountain peak, rock or other firm land totally surrounded by glacier ice.)
The ice turns towards northeast and reaches a steep slope near the snout (gletsjerfront; uiteinde van de gletsjertong). This lowermost part of the glacier tongue is thus quite steep and crevassed, and has advanced (opgerukt; vooruitgegaan) somewhat during the last few years. The ice front (gletsjerfront) now stands some 700 m behind the outermost terminal moraines (eindmorenewallen) from the 'Little Ice Age' (ca. 1430 - 1750).

www.pietsmulders.nl/dagwand-zuidnoorw-Blaisen.html

.
. De breed uitwaaierende gletsjertong Blåisen zit vol gevaarlijke spleten.
. Om een idee te krijgen van de afmetingen: links midden zie je 2 stipjes, dat zijn mensen.


.

.


Noord-Noorwegen heeft 2 grote plateaugletsjers.

1. Svartisen (ca. 360 km²):
Dit is de meest bekende.
Ze bestaat uit 2 delen: Vest-Svartisen en Øst-Svartisen.
Het oude ijs van de Svartisen is erg donker vergeleken met nieuw ijs en verse sneeuw, vandaar de naam.
De bekendste gletsjertong van de Vest-Svartisen is Engabreen.

Engabreen (ca. 30 km²):
Ze heeft het laagstgelegen gletsjerfront (uiteinde van de gletsjertong) van Noorwegen.
Not only does this glacier stun visitors by its beauty, but it also surprises people as it is Northern Scandinavia’s biggest glacier and is one that is closest to the sea.

It is renowned for its baby-blue sheen and the gorgeous green meltwater of Holandsfjord.
Engabreen is truly mind-blowing and a Norway glacier worth visiting.


2. Blåmannsisen: (ca. 80 km²)
Deze ligt ten oosten van Fauske vlak op de grens met Zweden.
.


. De waterscheiding (zwarte streepjeslijn valt ongeveer samen met de grens Noorwegen/Zweden.


.


Hoe ontstaan gletsjers?

Gletsjers ontstaan zodra er in een jaar tijd meer sneeuw valt dan afsmelt. De sneeuw hoopt zich op en de sneeuwlagen worden door hun eigen gewicht samengedrukt tot ijs.
Het hoge deel van de gletsjer waar sneeuw accumuleerd en tot ijs wordt omgezet heet de accumulatiezone.
Het ijs wordt door de enorme druk plastisch en kan onder invloed van de zwaartekracht langzaam van de accumulatie zone naar beneden richting de afsmeltingszone stromen. Aan het eind van de gletsjer vindt afsmelting plaats.

.


Gletsjers bewegen:


Het gewicht van ijs zet een gletsjer in beweging. Onder druk is het ijs plastisch en kan het langzaam stromen. De meeste Noorse gletsjers bewegen zich met een snelheid van enkele cm's tot 1-2 m per dag.
Op een en dezelfde gletsjer zijn er echter grote variaties.
Zowel de dalbodem als de dalwanden remmen de ijsstroom.
De snelheid is het grootst bij de ijsvallen. Zo'n ijsval ontstaat wanneer de gletsjer een steiler deel van de ondergrond passeert. Bij de steilste gletsjervallen zijn er snelheden gemeten van 2 meter per dag.
Helemaal beneden bij het gletsjerfront en helemaal boven op de gletsjer is er weinig beweging.
Door verschillen in de snelheid in een gletsjer ontstaan strekspanningen in het ijs. De spanningen worden opgelost doordat de ijsmassa splijt. De gletsjerspleten zijn zelden dieper dan 30 - 40 m, want dieper beneden is het gletsjerijs plastisch en sluiten de spleten zich.
We zien dikwijls gletsjerspleten bij een ijsval, langs de gletsjerrand en helemaal beneden bij het gletsjerfront. Omdat deze pleten dikwijls bedekt zijn door sneeuwbruggen kunnen ze gevaarlijk zijn om te passeren.

.

 

Glaciale erosie:

Two processes of glacial erosion:
plucking (= plukken) and abrasion (= schuren)

1. Plucking (= plukken)
Between a glacier and the rock underneath is a thin film of meltwater.
This water sometimes freezes, so the glacier becomes attached to the rock.
Then, when the glacier moves forward, it pulls away
any loose pieces of rock. This powerful process is called plucking (=plukken) .
(It is highly likely that the rock will already have loose fragments because of freeze-thaw weathering
(vorstverwering). This is the weathering process where water seeps into cracks (scheuren), freezes and expands, gradually wedging open cracks until the rock breaks.)

2. Abrasion (= schuren)
Dit is het schuren van ijsmassa's (met het daarin reeds opgenomen gesteentepuin) over de onderliggende rotsbodem.
Once the glacier has plucked away pieces of rock pieces of rock, they become embedded
(vast te zitten) in the bottom of the glacier and scrape (schuren) and smooth (slijpen) the rock surface as the glacier moves.
This slower process of erosion is called abrasion (schuren)

De glaciale erosie blijkt niet alleen uit de aanwezigheid van deels diepe depressies in landoppervlak na het smelten van het ijs (bijv. trogbekkens), maar ook uit de stroomlijning van oorspronkelijke verhevenheden in het terrein. Omhoogstekende delen van de rotsbodem zijn tot gladde bulten geschuurd: de zgn. bultrotsen (zie tek.)
Deze langgerekte vorm in het vast gesteente kan je zeggen in welke richting de gletsjer bewogen heeft.
Bultrotsen variëren in grootte van één tot meer dan honderd meter.



Aan de stootzijde: abrasion (schuren)
Daar is de bultrots glad met een lichte stijging en dikwijls bedekt met gletsjerkrassen. Deze stootzijde werd geschuurd door in de onderkant van het ijs vastgevroren stenen en zand.
Aan de lijzijde: plucking (plukken):
Daar daalt het drukniveau en er is een opening tussen de gletsjer en het vast gesteente. Smeltwater bevriest daar opnieuw en er worden daardoor rotsblokken geplukt (losgebroken en weggevoerd) Deze zijde heeft een afgebroken uiterlijk met steile breukvlakken.

Bultrots met gletsjerkrassen.

We kunnen de gletsjererosie berekenen door te meten hoeveel materiaal de gletsjerrivier meevoert. Onder enkele Noorse dalgletsjers is de erosie van het vast gesteente meer dan 1 mm per jaar ( 1 m per 1000 jaar).
Het materiaal dat de gletsjertong meeneemt van de ondergrond, bestaat uit een mengsel van puin, gruis, zand en klei.
Na het afsmelten van de gletsjertong, blijft het als grondmorene liggen.
Omdat het zowel heel grof (keien) als heel fijn materiaal (leem) bevat, wordt deze afzetting treffend keileem genoemd.
Het is ongesorteerd, niet afgerond, niet gelaagd en ondoorlatend. (Dus vrijwel het tegenovergestelde van het materiaal afgezet door rivieren.)
Keileem is een van de meest voorkomende bodemsoorten in Noorwegen.
Op enkele plaatsen kan deze laag enkele meters dik zijn, maar meestal is ze minder dan 1 meter.

(Ook in Nederland kennen we keileem, namelijk in de provincie Drenthe. Het werd daar door het landijs afgezet tijdens een ijstijd.)

. Soms is de keileemlaag meerdere meters dik, zoals hier in de tekening, maar meestal is het minder dan 1 m.


Wanneer de gletsjertong kortstondig oprukt, schuift hij de grondmorene voor zich uit. Wanneer het oprukken vervolgens stopt, blijft de grondmorene liggen als een eindmorenewal.
Langs de zijkant erodeert de gletsjertong de dalwanden en vormt daar de zijmorenen.
Op plaatsen waar twee gletsjerarmen elkaar ontmoeten, verzamelen de zijmorenen in een middenmorene.
Er is veel oppervlak aan keileem in Noorwegen. Dit is vrij uitzonderlijk, omdat het in de rest van de wereld weinig voorkomt.


Glacial erosion landforms:
( landforms = landvormen , reliëfvormen)
De IJstijden zijn zéér belangrijk geweest voor Noorwegen. Daarom geef ik hier de mooie, heldere Engelstalige tekst over de glaciated-upland-landscapes. Van enkele belangrijke reliëfvormen vind je daar ook de Noorse namen.

 

 

.

 

3. Dalen en fjorden:
Hoofdstuk4

Hoofdstuk4

1. Het dwarsprofiel van voormalige gletsjerdalen is U-vormig met steile dalwanden en brede, vlakke dalbodem.

. Dalen en fjorden die in het Pleistoceen langdurig vergletsjerd zijn geweest, bezitten veelal een karakteristiek dwarsprofiel.
In vergelijking met niet-vergletsjerde rivierdalen, die vaak een V-vormig dwarsprofiel hebben, zijn de dalbodems sterk verbreed en zijn de dalwanden, althans onder in de dalen, veel steiler geworden. Het dwarsprofiel is daardoor U-vormig. Men spreekt van 'trogdalen'. (Het U-vormig dwarsprofiel wordt vaak nog geaccentueerd doordat het laagste deel van de dalbodem na de vergletsjering verder vervlakt is door:
. opvulling van meren, en/of
. afzetting van rivierzand en -grind.

. De verbreding van de dalbodems is het gevolg van de omstandigheid dat gletsjererosie, i.t.t. riviererosie, niet beperkt is tot een smalle strook onderin het dal (de rivierbedding zelf), maar plaatsvindt over de gehele door ijs bedekte oppervlakte (dus de gehele dalbodem en het onderste deel van de dalwanden (zie fig. 2 hieronder).

.
. The formation of a U-shaped cross-profile.
. Fig. 1 Before the Ice Age:
Rivers in mountains ran down V-shaped valleys.

. Fig. 2 During the ice Age:
When a glacier rumbled down the same valley the ice was so thick that it was able to abrade
(schuren) and pluck (plukken) the valley floor(dalbodem) as well as the valley sides (dalwanden).
(plucking = a type of glacial erosion that occurs when ice freezes onto the landscape, ripping out
rocks when it moves).
So the V-shaped valley became a U-shaped valley, with a flat floor
(bodem) and steep sides(wanden).
Its cross-profile
(dwarsdoorsnede) is U-shaped (U-vormig)

. Fig .3 After the Ice Age:
Now that the ice has all gone, this U-shaped valley has a river flowing through them again. But the river is too small for this very wide valley and is called misfit stream
(hongerrivier).
At the valley sides
(dalwanden) , scree(hellingpuin) often builds up from all the freeze-thaw weathering(vorstverwering) that has taken place on the valley sides (dalwanden) above.


. Hoe diep de uitschuring is, houdt vooral verband met de hardheid van het gesteente, daarnaast de dikte en stroomsnelheid van het ijs.

. Kleine zijgletsjers zijn minder dik dan de hoofdgletsjers. Daardoor zijn de dalen van kleine zijgletsjers ook veel minder diep uitgeslepen dan de hoofdgletsjerdalen waarin zij uitmonden. Dit leidt, na afsmelting, tot de aanwezigheid van 'hangende' zijdalen. (Zie tekening B)
(Bij rivier-erosie ligt de bodem van het zijdal bij de monding gewoonlijk wel op hetzelfde niveau als de bodem van het hoofddal)

.

.

A. During maximum glaciation (vergletsjering) , the U-shaped trough (trog) is filled by ice to the level of the small tributaries (zijgletsjers).

B. After glaciation the trough floor (trogbodem) may be occupied by a stream and ribbon lakes (langgerekte meren).

C. If the main stream is heavely loaded, it may fill the trough floor with alluvium (alluvium; alluviale afzetting).

D. Should the glacial trough (gletsjertrog) have been deepened (uitgediept) below sea level, it will be occupied by a deep, narrow estuary known as fjord.

Een fjord is eenzelfde reliëfvorm als een U-vormig dal, maar hier heeft de gletsjer zich zo diep ingesneden dat na het afsmelten van het ijs dit U-vormige dal met zeewater is gevuld (zie tekening D).
Je ziet dat op de fjordbodem nog geen alluviale afzettingen zijn.
Slechts bij het boveneinde van een fjord is er een begin van delta-afzettingen in de fjord. Denk bijv. aan Lysebotn; zie: www.pietsmulders.nl/dagwand

.
. Austerdalen is a U-shaped valley (dal met een U-vormige dwarsprofiel).

 

 

 

2. Het lengteprofiel van voormalige gletsjerdalen bestaat uit een afwisseling van trogvormige bekkens en rotsdrempels.

.


. Trogvormige bekkens:
Ze ontstaan doordat het dikke gletsjerijs in staat is om het puin uit een bekken omhoog te transporteren. Het plaatselijk gesteente moet wel relatief zacht zijn.
Ze kunnen diepten bereiken van tientallen, zelfs honderden meters. Aanvankelijk vullen deze trogvormige bekkens zich met langgerekte meren (ribbon lakes) Maar omdat de gletsjerrivieren veel sediment meevoeren worden ze geleidelijk opgevuld met delta-afzettingen en ontstaan er vervolgens spoelzandvlaktes bestaande uit rivierzand en -grind.

. Rotsdrempels:
Deze rotsige ruggen dwars over het dal vormen het relatief harde gesteente tussen twee trogvormige bekkens in.
In een rotsdrempel heeft de rivier dikwijls een scherp V-dal of een smalle rivierkloof uitgeschuurd.



. Bij een U-dal is de overgang tussen de dalwand en de dalbodem dikwijls bedekt met naar beneden gevallen puin dat zich verzamelt heeft in een puinhelling.


. De afwisseling tussen brede en smalle gedeelten in U-dalen en tussen trogvormige bekkens en rotsdrempels wordt meestal veroorzaakt de verschillen in hardheid van het gesteente.

. Sommige voormalige gletsjerdalen eindigen in een steile rotswand bij het boveneinde van het dal. De rivier vormt daar dikwijls een waterval en een aanpassingskloof. Bekende voorbeelden daarvan zijn:
. de Vøringfossen in het Måbødalen,
. de Trollstigen met Stigfossen in het Isterdalen,
. de Rjukanfossen in het Vestfjorddalen


.
. Het boveneinde van het Isterdalen met enige haarspeldbochten van de Trollstigen en de waterval Stigfossen.

 

 

.

 


Noorwegens mooiste waterval:
We zagen bij de vorige link dat er in voormalig vergletsjerde uplands veel hangende zijdalen waren met dikwijls watervallen. Noorwegen heeft daardoor veel watervallen.
In 2014 heeft een grote landelijke krant (Dagbladet) Noorwegens mooiste waterval (Norges flotteste foss) gekozen. Meer dan 10.000 lezers hebben gestemd. Criteria waren: grootte, aantal bezoekers, bekendheid, bezienswaardigheid en last but not least toegankelijkheid.

De Top 10 zag er als volgt uit:

. 1. Vettisfossen, Utladalen/Jotunheimen

. 2. Langfossen, Åkrafjorden

. 3. Vøringsfossen, Måbødalen

. 4. Låtefossen, Oddadalen

. 5. De sju søstre, Geiranger

. 6. Mardalsfossen, Eikesdalen

. 7. Feigumfossen, Skjolden

. 8. Tvindefossen, Oppheim/Skulestadmo

. 9. Kjosfossen, aan de Flåm spoorlijn

10. Kjelfossen, Gudvangen/Flåm/Stalheim



4.
Låtefossen, Oddadalen.
Deze 165m hoge, trapvormige tweelingwaterval stort 15 km ten zuiden van Odda vlak langs de Rv 13 in het Oddadalen.

 

Weet je aanvullingen en verbeteringen van deze tekst? Graag een e-mail naar:

e-mailadres


. .... ....

LAATST BIJGEWERKT : 10-2-2021